| Aantekeningen |
- [Het martelaarsboek of heldhaftig gedrag der Belgische geestelijkheid ten tijde der Fransche omwenteling op het einde der achttiende eeuw (nieuwe uitgaaf / herdruk) / J.-B. Van Bavegem] Blz. 235-236 : DE LANTSHEERE JOANNES HUBERTUS
[Het geslacht de Lantsheere / Jan Lindemans. In : Eigen Schoon. Jrg. 4, nr. 1 (1914), blz. 1-8. Blz. 3] noemt hem JAN HUBRECHT DE LANTSHEERE - °Opwijk 11.02.1753
[blz. 3] Studeerde bij de Dominikanen te Vilvoorde, in de Latijnse school te Geel en de wijsbegeerte te Leuven. Hij moest zijn studies staken wegens ziekte, doch, na zijn herstelling ging hij naar 't Groot Seminarie van Mechelen en werd priester gewijd in 1776. Het jaar daarop werd hij onderpastoor benoemd te Leefdaal, doch in 1779 werd hij vice-praeses van het Groot Seminarie te Mechelen en professor in de Godgeleerdheid, in 1780 examinator synodalis, in 1783 secretaris van Z. E. Kardinaal van Franckenberg, aartsbisschop van Mechelen, de 7 nov. 1785 praeses van 't Groot Seminarie, de 31 okt. 1787 kanunnik theologalis en in 1793 vicaris-generaal van 't aartsbisdom. In 1794 werd hij te Maubeuge, als gijzelaar, gevangen gehouden. Weer in vrijheid geraakt onder het Directoire, hield hij zich verscholen te Mechelen onder de deknaam van Puttaer. Hij beheerde het aartsbisdom, in de naam van de kardinaal, die uit het land verbannen was, totdat deze afstand gedaan had van zijn zetel aan de Paus, na het Concordaat (1802). De 18 mei 1803 werd hij op bevel van Regnier, Frans minister van Rechtswezen, aangehouden en te Antwerpen opgesloten en vervolgens dertien jaar lang [blz. 4] van gevangenis tot gevangenis gesleurd, van Parijs naar Turini, Rimini, Rome, Lyon, Versailles en Doornik, tot na de val van Napoleon in 1814. In datzelfde jaar werd hij voorgesteld om Mgr. de Pradt op te volgen op de aartsbisschoppelijke zetel van Mechelen ; hij aanvaardde echter niet. Hij eindigde zijn edelmoedig en heilig leven te Brussel de 26 augustus 1824 [voetnoot 1 : Kardinaal van Franckenberg noemde hem zijn beste vriend "amicorum optimus" en zegde over hem : Omnia sua illa munia eâ obiise dexteritate et prudentiâ, ut, non solum de Nobis, sed et de totâ Dioecesi et universâ Ecclesiâ catholicâ optime fuerit meritus. Zie Th. de Lantsheere : Le Dossier d' un Brigand, p. 16]
[Het College van Geel en de Westbrabantse studerende jeugd in de 18e eeuw / J. en P. Lindemans. In : Eigen Schoon en De Brabander. Mei 1948, nr. 5, blz. 218-225] Blz. 222 : JOANNES HUBERTUS DE LANTSHEERE (einde der studiën - dialectica : 1770), °Opwijk 11-2-1753, zoon van Jan-Frans, griffier van Opwijk, en Joanna-Maria Heyvaert ; pbr., 1776, onderpastoor te Leefdaal 1777, vice-praeses van het Groot Seminarie te Mechelen 1779, professor in de godgeleerdheid en examinator synodalis 1780, secretaris van Kardinaal de Franckenberg, 1783, kanunnik theologalis 1787, vicaris-generaal 1793, administrator van het aartsbisdom gedurende de ballingschap van den aartsbisschop tot het Concordaat 1802, in ballingschap en hechtenis gehouden onder Napoleon (1803-1814), +Brussel 26.08.1824
|